Hitteprotocol

Elke zorginstelling moet een hitteprotocol hebben. In een hitteprotocol zijn alle maatregelen omschreven die voorkomen dat een gebouw opwarmt en  de gevolgen daarvan voor cliënten en personeel beperken. De cliëntenraad kan bij de directie van de zorginstelling vragen of er zo’n hitteprotocol is.

Het hitteprotocol bestaat uit minimaal twee onderdelen:

1. Organisatorische maatregelen

Deze zijn vooral belangrijk voor de huishoudelijke en facilitaire medewerkers. Voorbeelden hiervan zijn:

  • tijdig de zonneschermen neerlaten;
  • op tijd openen en sluiten van ramen en juist gebruik van airco;
  • uitzetten van warmteproducerende apparatuur;
  • toepassen van temperatuurregistratie in kritische ruimten;
  • het gebruik van specifieke aansturingprogramma’s voor het mechanisch ventilatiesysteem;
  • het gebruik van nachtventilatie, zodat het gebouw met koele nachtlucht wordt afgekoeld (zoals vrije koeling).

2. Zorginhoudelijke maatregelen 

  1. een overzicht maken van cliënten/patiënten met een verhoogd risico (bijvoorbeeld mensen die niet zelf adequaat kunnen reageren door hun beperkingen, met aandoeningen als diabetes mellitus of hartfalen, overgewicht of vochtbeperking)
  2. Zorg voor voldoende vochtinname (voldoende drinken)
  3. Zorg voor afkoeling (kleding, bescherming tegen zon) 
  4. Inschakelen vrijwilligers en mantelzorg in
  5. Creatief zorgverlenen (goede afspraken, prioriteiten zo stellen dat er tijd overblijft om cliënten te laten drinken, bij thuiszorg zoveel mogelijk momenten verspreid over de dag inplannen)
  • Twitter icoon
  • Facebook icoon
  • Hyves icoon
  • LinkedIn icoon